Terug
6 augustus 2026
De confrontatie met de Romeinen 2000 jaar geleden, leidde tot veel vernieuwing in het dagelijks leven van de inwoners in deze regio. De Romeinen vervoerden vee, voedsel en zaden voor het eerst over grote afstanden. In steden als Coriovallum ontstond daardoor een uitwisseling van culturen, eetgewoonten en ingrediënten. Mensen gingen anders koken en het eetpatroon in Nederland veranderde voorgoed.
In de Oud-Romeinse keuken waren voor de gewone man brood, bonen en linzen het hoofdbestanddeel van de dagelijkse maaltijden. De rijkere bevolking at drie keer per dag.
Ontbijt
Oorspronkelijk worden broodachtige vlaaien van spelt met wat zout als ontbijt, oftewel ientaculum, gegeten. De welgestelden aten ook eieren, kaas en honing. Daarbij dronk men melk en at men fruit. Er werd ook graag moretum, een soort kruidenkwark, gegeten bij het brood.
.jpg)
Lunch
Voor het middageten, het prandium, at men vooral koude gerechten zoals ham, brood, olijven, fruit, kaas en vruchten. Het was overvloediger dan het ontbijt, maar voor de meeste Romeinen was deze maaltijd niet erg belangrijk.
Diner
Het avondeten, de cena, bestond meestal uit puls of pulmentum, een soort risotto van spelt- of bonenmeel. Waarschijnlijk aten de rijken bij hun puls eieren, kaas en honing. Ook de rijkere Romeinen aten bij de gewone maaltijd nauwelijks vlees of vis. Dat was echt iets voor feesten. Maar dan werd er ook flink uitgepakt. Eerst ging men naar het badhuis om het lichaam te reinigen en daarna startte de cena met het voorgerecht van bijvoorbeeld schelp- en schaaldieren of gevulde eieren. In de buurt van het badhuis van Coriovallum, maar ook bij de Villa Ravensbosch in Valkenburg, zijn oesterschelpen gevonden. Die moeten van grote afstand zijn vervoerd.

Vervolgens werd er stevig gekruid vlees, zoals varkensvlees, kip, gans of wilde vogels en vis gegeten. Het dessert bestond vaak uit fruit of gebak, gezoet met honing. Tijdens de maaltijd dronk men rijkelijk wijn.
Hoe komt het dat we zo veel weten van de Oud-Romeinse keuken? De rijke Romein Apicius wijdde zijn leven aan het beschrijven van recepten uit het hele Romeinse Rijk. Zijn gastronomische encyclopedie met de naam re coquinaria, beter bekend als het kookboek van Apicius, is bewaard gebleven door het monnikenwerk in Europese kloosters. Monniken kopieerden Romeinse geschriften waardoor veel kennis uit de oudheid bewaard is gebleven, terwijl de originele geschriften zijn verdwenen.

Opvallend aan het kookboek is dat hoeveelheden en bereidingswijze ontbreken. De recepten lijken eerder op een boodschappenlijstje. Toch vertellen deze korte ingrediëntenlijsten verrassend veel. Ze bieden een kijkje in de smaken van de Romeinse keuken. Bron: Romeinen.nl
De Romeinen waren dol op hartig-zoet- en zoet-zuurcombinaties, dus gerechten met honing, fruit en azijn. Die werden aangevuld met flink wat kruiden. Rozemarijn, salie, lavendel, tijm en lavas gaven smaak aan talloze gerechten. Hoewel peper en zout al bekend waren, waren deze kostbare smaakmakers voor de meeste mensen onbetaalbaar. Kruiden boden daarom een betaalbaar alternatief, vaak gewoon uit de eigen tuin. Kruiden dienden niet alleen om gerechten op smaak te brengen. Ze konden ook minder frisse smaken verdoezelen. Want voedsel dat zijn beste tijd had gehad werd toch nog vaak gegeten.
In plaats van zout gebruikten de Romeinen meestal garum of ook wel liquamen genoemd, een gefermenteerde vissaus die in het hele rijk populair was en zorgde voor een rijke umami-smaak. Het werd in grote hoeveelheden geproduceerd en in amfora’s verkocht in allerlei kwaliteiten.

Uit onze streken zijn nauwelijks Romeinse teksten of afbeeldingen bewaard gebleven die iets vertellen over wat mensen aten. Daarom is archeologie onze belangrijkste bron van kennis over de Romeinse keuken in onze regio. Bij opgravingen vinden archeologen regelmatig sporen van gebruikte ingrediënten in maaltijden. Vooral haardplaatsen, afvalkuilen en latrines leveren waardevolle informatie op.
Granen vormden de basis van de maaltijd in die tijd. Op het menu stonden lokaal verbouwde spelt, gerst en gierst, aangevuld met tarwe dat vanuit Noord-Frankrijk werd aangevoerd. Vooral op de rijke lössgronden van Zuid-Limburg werd veel graan verbouwd. De oorspronkelijke, zelfvoorzienende boerderijtjes groeiden uit tot enorme akkerbouwbedrijven, die de Romeinen villa rustica noemden.

Met de komst van de Romeinen verschenen moestuinen en boomgaarden, waarin naast inheemse gewassen ook nieuwe groenten en fruit werden gekweekt. Biet, selderij, prei, pastinaak, wortel, venkel, walnoot, kastanje, knoflook, appel, kers, pruim en perzik kregen na hun introductie een plaatsje in de nieuwe moestuinen en boomgaarden. Sommige ingrediënten konden echter niet hier worden verbouwd en werden aangevoerd. Voorbeelden zijn olijven, amandelen, rozijnen, dadels, vijgen en pijnboompitten.
Vlees was in de Romeinse tijd niet vanzelfsprekend. Voor de meeste mensen bleef het een kostbaar product dat alleen bij bijzondere gelegenheden op tafel kwam. Koeien werden pas geslacht wanneer ze geen melk meer gaven. Daarnaast vulden wild, zoals hert, konijn en gevogelte het menu aan.
Een bijzonder nieuwkomer was de kip. Voor de komst van de Romeinen leefden er in onze streken nog geen kippen. Oorspronkelijk komt dit dier uit Zuidoost-Azië. Via handelsroutes en het Romeinse Rijk bereikte de kip uiteindelijk ook ons land, waar Romeinse soldaten haar rond het midden van de eerste eeuw na Christus introduceerden. Behalve mals vlees leverde de kip ook een regelmatige bron van eieren op en werd zij al snel een vertrouwd onderdeel van het dagelijks leven.

Naast water dronk men mulsum, een mengsel van wijn en honing, meestal verdund met water. Er was rode en witte wijn uit verschillende streken, die vervoerd werd in amforen. Wijn werd meestal niet puur gedronken, maar aangelengd met water. Ook werden vruchtensappen, kruiden of specerijen toegevoegd voor extra smaak. Een populaire drank was conditum, een combinatie van wijn met heet water, honing, peper en kruiden. Een andere zoete wijn heette passum en werd gemaakt van ingedroogde druiven, die een hoog suikergehalte hebben. Er werd dus geen honing aan toegevoegd.
Soldaten en arme Romeinen dronken vooral posca: water met azijn, die door het zuur langer houdbaar was. Bier vonden Romeinen maar een ordinaire drank, bestemd voor ‘barbaarse’ volken als de Germanen. Het idee dat wijn beschaafder is dan bier is sindsdien blijven hangen. Het is één van de vele voorbeelden van hoe de Romeinse invloed tot op de dag van vandaag voelbaar is.
Eten was een belangrijk onderdeel van de Romeinse cultuur. Bij de rijken waren de maaltijden vaak een sociale aangelegenheid met muziek, dans, verhalen en poëzie. De gasten lagen op ligbanken in een eetkamer, triclinium genoemd. Vóór de eters stond een lage tafel, met daarop de gerechten en de wijn. Tussen de banken werd ruimte vrijgehouden voor het bedienend personeel. De rijke villabewoners in Limburg namen deze gewoonte over, zoals we kunnen zien aan de binnenkant van de zandstenen askist van de dame van Simpelveld.

Messen en vorken werden niet gebruikt. Het eten werd met een lepel of met de vingers van een bord geschraapt. Hét statussymbool op tafel was het donkerrode, glanzende terra sigillata servies, dat oorspronkelijk alleen in Italië en Zuid-Gallië werd gemaakt. Soms was dit servies ook prachtig gedecoreerd met allerlei taferelen zoals gladiatorengevechten en jachtscenes. Onze collectie terra sigillata bevat vooral servies zonder decoraties.

Daarnaast was er speciaal tafelaardewerk dat licht van kleur was en dat al snel in de regio zelf werd geproduceerd, waarbij Coriovallum zich ontwikkelde als pottenbakkersstad. De rijken dronken uit glazen of zilveren bekers en goten wijn uit bronzen of glazen kannen.

Of in alle huizen in die tijd een keuken te vinden was, weten we niet, wel zijn er in de villa rustica ruimtes gevonden die waarschijnlijk dienden als keuken. In die tijd kookte men op vuur en meestal had een keuken een vast ingebouwd fornuis. Ook werden draagbare ovens gebruikt. In sommige daarvan werden waterketels ingebouwd. Op andere konden roosters worden gelegd: de voorloper van onze barbecue.
Ander belangrijk gereedschap waren de maalsteen voor graan en de wrijfschaal (vijzel). Want de meeste mensen aten puls, dat werd gemaakt van zelfgemalen graan. Het keukengerei bestond verder uit kookpotten, kruiken, bronzen braadpannen, messen en roerlepels.
%2C_Museum_of_London_(14855574970).jpg)
het platte brood dat de Romeinen aten meestal gemaakt werd met zuurdesem? Want verse gist kende men nog niet.
Het Romeins Museum is gesloten vanwege nieuwbouw tot 2028.
Het Romeins Museum
Coriovallumstraat 9
6411 CA Heerlen
info@hetromeinsmuseum.nl